Door
zijn ligging aan een kruispunt van waterwegen nam Dordrecht in de
middeleeuwen reeds een specifieke plaats in onder de handelssteden
der Lage Landen. Zeker nadat de Graaf van Holland, Jan de Eerste
de stad rond 1300 stapelrecht verleende en later dit recht uitbreidde
met het Maasrecht. Hetgeen inhield, dat alle goederen, die veelal
over 't water langs en naar Dordrecht werden vervoerd eerst aangemeld
moesten worden bij de autoriteiten, zodat over deze handelswaar
belasting kon worden geheven. In ruil ontvingen de kooplieden en
de boeren een vrijgeleide, dus bescherming om hun goederen veilig
te kunnen vervoeren of te verhandelen in de Dordtse regio.
Door deze privileges kreeg de handel op en rond de rivieroevers
en kaden een enorme impuls, zodat reeds in de middeleeuwen vele
kooplieden zich in Dordrecht vestigden. De vele statige
herenhuizen en de pakhuizen op de kaden met namen als: Hooikade,
Wolwevershaven, Pottenkade, Wijnhaven getuigen daarvan.
Maar bovendien kon Dordrecht
zich ontwikkelen tot één van de belangrijkste handelssteden van
Nederland.